|
|
||||||||
|
|
1. De psychoanalytische
kliniek
De psychoanalytische practijk wordt specifiek gekenmerkt door de herkenning van onbewuste overdrachten en weerstanden, en door de herkenning van de hulp die ze betekenen voor de analyse en voor de subjectwording die deze voorstaat. De kunst van het analyseren valt samen met de kunst van het oplossen van de &laqno;overdrachtsneurose». Deze komt tot leven in de analyse en kan eventueel tot gevolg hebben dat de analysant analyticus wordt. Als we aan het begin van de analytische ervaring de overdrachten van de analysant en het verlangen van de analyticus plaatsen (de plaats van het 'sujet supposé savoir', waar de analyticus gesitueerd wordt, ligt reeds geanticipeerd in de geschiedenis van het subject), wat wordt er dan van de nosografische categorieën die we erfden van de psychiatrie? Het verloop van de analyse begrijpen we vanuit de modaliteiten van de overdracht, van de weerstand en van de plaats die het fantasma er vindt (de wijzen waarop het subject verbonden wordt met het object van het verlangen). De enige &laqno;neurose» die de analyticus kent, is, volgens Freud, &laqno;de nieuwe kunstmatige neurose» (we voegen daar aan toe: of &laqno;de nieuwe kunstmatige psychose») die zich manifesteert in de overdracht. Zouden we vandaag de dag niet beter zeggen: de nieuwe verhouding van het subject tot het fantasma, de realiteit en het reële? Bestaat er een epistemologische mogelijkheid om, tussen enerzijds het risico van een psychiatrisering van de analyse en anderzijds het risico van een psychologisering, de autonomie van de psychoanalytische kliniek te vrijwaren van elke objectiverende opvatting van de verhouding tot de ander, overgenomen van andere domeinen van het weten? Met zo'n mogelijkheid voor ogen, stellen we volgende vraag: welke variaties van het analytisch protocol kunnen worden overwogen? Een specifieke verhouding tussen de techne (de kunst van het analyseren) en de episteme (het weten) moet nog worden uitgeklaard. 2. Het doorgeven van de psychoanalyse
Het doorgeven (transmissie) van de psychoanalyse heeft een facet gemeen met de transmissie in andere disciplines, namelijk dat er van de analyticus een weten verwacht wordt. Freud stelde wat dat betreft zeer hoge eisen aan een Instituut of een School (zie 'Die Frage der Laienanalyse'). Maar de transmissie van de analyse heeft ook iets specifiek: ze vereist de ervaring van een persoonlijke analyse. De eisen die gesteld worden aan een dergelijke analyse worden bepaald door privégroepen. Elk van die groepen heeft een eigen verhouding tot de erfenis van Freud, of tot die van een van zijn opvolgers, en een machtsverhouding tot dat weten waarvan zij de bewaking op zich neemt. Er is een reële bezorgdheid om het erfgoed van het psychoanalytisch denken in stand te houden en om het analytisch weten door te geven op die bijzondere wijze die de ervaring van een analyse is (en van waaruit het analytisch weten ook in vraag kan worden gesteld). Maar vanuit die reële bezorgdheid ontstaat de neiging om onopgeloste overdrachten in stand te houden. Deze bepalen dan de verhoudingen onder de collega's en leggen ook een model op dat aangeeft hoe een analyse geleid moet worden, daar waar inventiviteit een eerste vereiste is. Zo loopt men het risico dat een vastzittende verhouding van het subject tot het fantasma en tot het object van het verlangen doorgegeven wordt, of zelfs een conflict dat van generatie op generatie steeds meer verstart. We kunnen historisch begrijpen dat de relatie analyticus/analysant samenging met een meester/leerling verhouding. Maar is er vandaag niet voldoende reflectie over de analytische ervaring om haar daaruit te bevrijden? Hoe kunnen we de actuele modaliteiten van de transmissie en van de validering van die ervaring meer analytisch maken? Hoe vermijden dat de autonomie en de onafhankelijkheid die men verwerft in de analyse verloren gaat in de verhouding onder analytici?
3. De analytische instituten
De psychoanalyse bestaat op twee wijzen. Ten eerste is er die singuliere ervaring van de analyse, waardoor de interne verhoudingen van het subject in beweging komen in de &laqno;privé»-ruimte van de analytische situatie, in de overdrachts-»neurose» of -»psychose», of, anders gezegd, in de verhouding tot het fantasma en de realiteit. Ten tweede bestaat de psychoanalyse ook zoals ze zich manifesteert op het publieke forum door haar theorie, door de analytische instituten, door haar verhouding tot de maatschappij en de politiek. Zijn die twee bestaanswijzen van de psychoanalyse veroordeeld tot een gesplitst bestaan? Of zou het toch mogelijk zijn ze met elkaar te laten corresponderen, rekening houdend met de mogelijk problematische inwerking van de een op de ander? Zou
een dergelijke &laqno;co-respondentie» een psychoanalytische
toekomst hebben? Hoe zou ze zich inschrijven in de analytische scholen?
Zou ze de sociale verhoudingen in het algemeen en die tussen analytici
in het bijzonder kunnen veranderen? Er moet enerzijds respekt zijn
voor de verschillende denkrichtingen binnen de psychoanalyse, maar
anderzijds moeten analytische theorieën ook aan de hoge eisen
van een echt analytisch denken voldoen. Vandaar de vraag: zal ze
weerstand kunnen bieden aan de gevaren van het sectarisme en van
de bureaucratische standaardisering?
4. De verhouding van de psychoanalyse tot de maatschappij en de politiek
De geschiedenis van de psychoanalytische beweging leert, met vele voorbeelden, dat slechts gebrekkig rekening werd gehouden met de sociale en politieke realiteiten - en dit ondanks reflectie van Freud en zijn opvolgers over die domeinen. Achter een a-politiek uithangbord, ging vaak een onhoudbare staatspolitiek schuil. Is er een analytische denken van de politiek mogelijk? Kan zo'n denken een invloed hebben op de sociale geschiedenis en op de evolutie van de maatschappijen? Kan het bijdragen tot de reflectie over de rechten van de mens en tot de traditionele opvatting van de ethiek? Meer bepaald vragen we ons af hoe, vanuit een dergelijk psychoanalytisch denken van de politiek, geoordeeld zou worden over het inpakt op de analytische praktijk van de sociale en professionele regels, die verschillen van land tot land; hoe geoordeeld zou worden over het inpakt van de socio-culturele veranderingen, van de veralgemeende crisis van het denken, van de toenemende inperking van het privé-domein. Kan de psychoanalyse, geconfronteerd met de politieke macht en met de diepgaande culturele veranderingen van onze maatschappij, het houden op het principe van het &laqno;universeel vlottend karakter» van haar instituten? Er zijn tal van nieuwe gegevens die de klassieke analytische praktijk hebben veranderd: de kinderanalyse, de aanwezigheid van analytici op het terrein van de opvoeding of van de zorgenverstrekking, hun relatie tot het maatschappelijk werk en tot de veranderingen in de vraag naar analyse, de enorme toename van het aantal analytici. Hoe geven we rekenschap van al die nieuwe gegevens?
De psychoanalyse ging vaak te leen bij kunst en literatuur om haar ontdekkingen te schragen, erkennend dat daar 'antecedenten' te vinden waren wat betreft de kennis van de psychische realiteit. De literaire kritiek en de kunstkritiek vinden vandaag in de psychoanalyse een nieuwe bron van reflectie. Welke nieuwe wegen voor het denken kan hun ontmoeting openen? Of het nu was als bron van inspiratie of om er zich tegen af te zetten: het oeuvre van Freud was doordrongen van zijn filosofische lectuur, evenals ook, en op vele wijzen, het oeuvre van Lacan (om slechts die twee te noemen). Veel van hun concepten behoren tot de geschiedenis van de metafysica en werden geboetseerd uit de taalmaterie die ze erfden. In welke mate liggen de analytische concepten nog geketend aan die geschiedenis? Hoe stabiel kunnen analytische concepten zijn? Hoe vernieuwen ze zich? Verscheidene hedendaagse filosofische stromingen houden rekening met de vorderingen van het analytisch denken en bevragen op hun beurt de analyse: omtrent haar doctrine van de waarheid, haar idealisatie van de 'letter', haar interpretatiemodellen, haar mythen over de oorsprong. Nog kritischer is de filosofie over de gebrekkige psychoanalytische reflectie over maatschappelijk geweld, over recht en rechtvaardigheid, over haar eigen instituten. Die vraagstelling leidde tot een omwerking van de analytische theorie wat betreft de verhouding tussen het gesproken en het geschreven woord, het spoor en de uitwissing ervan, de vragen over seksuatie en Genot. Dit had onvermijdelijk ook gevolgen op vele facetten van de analytische praktijk.
6. De verhouding van de psychoanalyse tot het recht, de neurowetenschappen, de biologie en de genetica
Sinds de Shoah is de primordiale misdaad, die begaan wordt in naam van het mythisch geweld dat de wet zou instellen, niet meer de vadermoord maar de misdaad tegen de mensheid. Deze gaat terug tot de biologische wortels van de psychische realiteit en van de fundamentele wreedheid die geen spoor van schuldbewustzijn kent. Door elke getuige te vernietigen poogt het mythologische geweld zich tot een goddelijk geweld te verheffen waarvan het recht elke wettelijkheid te boven zou gaan. Einstein en Freud spraken reeds in 1933 de wens uit dat die primordiale misdaad, die toen nog geen naam had, onderworpen zou worden aan een supranationale rechtspraak. Hoe ziet vandaag ons mensbeeld er uit? Haalt de mens zijn consistentie als subject uit een geheel van neuronen dat gevoelig is voor zijn ervaringen door synapsen van pijn en lust, of als subject van het gesproken en het geschreven woord, van het verlangen en de wet? In welke mate stellen de vooruitgang van de moleculaire biologie en de hedendaagse genetica de Freudiaanse theorie van de driften in vraag? En hoe moeten we de verschillende etappes denken van de sprong van een driftmatig dispositief naar een combinatie van vertegenwoordigers van de voorstellingen? Vanuit het moleculaire kan men (nog) niet verklaren hoe een subject dat onderworpen is aan biologische dwangmatigheden, in staat is om zijn onderworpenheid 'vrijwillig' te aanvaarden of zich ervan te willen bevrijden. Een uitsluiting van het subject van het onbewuste uit het domein van de wetenschappen van het levende, doet het spookbeeld oprijzen van een machine-mens waarvan de stemmingen chemisch worden geregeld, of het spookbeeld van zijn zuiver religieus correlaat. |