De
twintigste eeuw was een tijdperk van angst en destructie. De
draagwijdte hiervan wordt geleidelijk, met het verstrijken van
de tijd, ingeschat. Maar de twintigste eeuw was ook de tijd van
bevrijding van vele vooroordelen. De psychoanalyse had hierin
een bijdrage, niet alleen door haar praktijk maar ook door de
invloed van haar gedachtengoed op de verschillende domeinen van
de cultuur. Zoals Freud het had voorzien, opende de psychoanalyse
nieuwe wegen voor de kunsten en de wetenschappen, voor de literatuur
en de literaire kritiek, voor de filosofie, de geschiedenis en
de sociologie.
Dat
de psychoanalyse, ondanks de kracht en de vitaliteit die ze gedurende
honderd jaar tentoonspreidde, voortdurend weerstanden blijft
oproepen, is een gevolg van haar eigen natuur en van haar activiteit:
het onbewuste het woord geven. Er valt niet aan te ontsnappen.
En de psychoanalytische instituten, die opgericht werden om over
de Freudiaanse erfenis te waken en om analytisch onderzoek te
stimuleren, functioneerden vaak zelf erg rigide, totaal in tegenstelling
met het doel dat ze nastreven. Een instituut is onvermijdelijk
eerder conservatief, terwijl het analytische uit zichzelf eerder
vernieuwend, zelfs subversief is. We hebben vandaag nog niet
echt een evenwicht gevonden tussen die twee tendensen, noch een
goede oplossing voor de spanningen die er onvermijdelijk uit
voortvloeien. De machtsposities binnen de instituties berusten
maar al te vaak op slecht verwerkte overdrachten, op trouw aan
een dominante ideologie en haar geijkte uitdrukkingswijzen, die
eerder gebruikt worden voor het behoud van sociale en bureaucratische
controle dan om nieuwe domeinen te openen voor onderzoek en uitbreiding
van onze kennis. Wanneer er toch acties worden ondernomen om
die onevenwichten te corrigeren, dan blijven die acties meestal
ten dienste van het instituut.
Bij
het aanbreken van de eenentwintigste eeuw is er dringend nood
aan een open debat over de actuele staat van de psychoanalyse,
met zoveel mogelijk deelnemende analytici die voldoende vrij
staan tegenover de druk van de instituties of die de noodzaak
voelen om vanuit hun instituut hun eigen politiek in vraag te
stellen. Het bijeenroepen van een Staten Generaal van de psychoanalyse
wil een ruimte openen waarbinnen ook de vorming, het onderwijs,
het doorgeven en de institutionele organisatie van de psychoanalyse
in vraag kunnen worden gesteld.
Deze
oproep richt zich tot alle analytici, tot welk instituut ze ook
behoren, of welke redenen ze ook hebben om elke institutionele
binding te weigeren, en tot allen die, vanuit welke hoedanigheid
ook, geëngageerd zijn om deel te nemen aan die bezinning.
De
Staten Generaal zullen gehouden worden in Parijs aan de Sorbonne,
van 8 tot 11 juli 2000. In verschillende landen werden groepen
gevormd met de bedoeling op die bijeenkomst het resultaat van
hun onderzoek mee te delen. Dit sluit niet uit dat er ook voorstellen
geformuleerd worden door enkelingen of door bestaande instituties.
Het
programma van de Staten Generaal zal worden samengesteld in functie
van de teksten die door de verantwoordelijken voor de voorbereiding
in de verschillende landen worden weerhouden en doorgespeeld
aan het 'Comité' in Frankrijk. De namen van die verantwoordelijken
(die ook zelf werkzaamheden die ze noodzakelijk achten op gang
kunnen brengen), staan op de lijst van het internationale 'Comité'.
Het
was noodzakelijk een voorbereidingscommissie op te richten, maar
uiteindelijk was dat slechts, net zoals deze oproep, uitdrukking
van een bezorgdheid die velen delen en reeds uitdrukten. Het
houden van de Staten Generaal is slechts zinvol en die gebeurtenis
kan slechts een zeker belang hebben op voorwaarde dat geen enkele
particuliere individuele of collectieve instantie er rechten
op kan doen gelden en dat ze door geen enkele reeds wettelijk
geconstitueerde groep kan worden opgeëist. Het is onontbeerlijk
dat een Staten Generaal zelf kan debatteren over haar eigen legitimiteit.
Indien er uit de Staten Generaal practische, effektieve engagementen
zouden voortkomen, dan kunnen die zich slechts doen gelden in
de mate dat ze zich bevrijd hebben van of onafhankelijk zijn
van bestaande organisaties en van de personen die er vandaag
het initiatief en de verantwoordelijkheid voor nemen. Vinden
we het dan niet wenselijk dat die organisaties oordelen dat deze
oproep gegrond is? Natuurlijk wel! Maar de redenen die maken
dat een transformatie van de psychoanalyse op het einde van deze
eeuw dringend is, overstijgen ruim de grenzen van elk instituut
en van elk persoonlijk initiatief.
Indien
deze oproep de benaming «Staten Generaal» gebruikt
om te bevragen wat tot nu toe gedaan werd, vandaag nog gedaan
wordt en ook morgen zal gedaan worden in naam van de psychoanalyse
en onder haar naam, dan is het precies om te mogen verwachten
dat, in naam van de historische referentie die die benaming oproept,
nieuwe vereisten aan bod zouden komen die niets te maken hebben
met een hiërarchisch bevel, maar met het verlangen en de
beslissingen van de deelnemers.
Allen
die deze oproep ondertekenden zijn nu reeds verbonden aan dit initiatief,
dat hun initiatief wordt.